H₂S en corrosie in schakelkasten: welke meting beantwoordt welke vraag

Terug naar overzicht
25/08/2026
11 minuten
Niels Soenen
Industrie

Een vaste gasdetector en een corrosiecoupon meten allebei correct, en ze meten niet hetzelfde. De detector bewaakt een gezondheidsgrenswaarde in ppm. Koper reageert op concentraties in ppb — ongeveer drie grootteordes lager. Een schakelkast kan dus aangetast worden terwijl elke gasmeting wettelijk schoon blijft.

Wilt u weten óf uw omgeving agressief is, dan is de coupon daarvoor het juiste instrument. Wilt u weten wanneer en waardoor, dan hebt u een meting met een tijdas nodig. Dat zijn twee verschillende vragen, en geen enkel van beide instrumenten beantwoordt die van het andere.

Waarom dit in een industriële omgeving speelt

Het beeld is herkenbaar. Onverklaarde uitval op borden, in kasten of aan contacten. Componenten die het na drie jaar begeven waar ze tien jaar hadden moeten meegaan. Een aanslag op printplaten die niemand goed kan plaatsen. En intussen een gasdetectie-installatie die in al die tijd nooit heeft gealarmeerd.

De reflex is dan om aan de detector te twijfelen. Dat is meestal onterecht. Het instrument dat er hangt, is voor iets anders gemaakt.

Dit speelt het scherpst waar zwavelwaterstof aanwezig is als procesgas of als afbraakproduct: waterzuivering en slibverwerking, papier- en pulpproductie, mestverwerking, biogas, rioleringsinfrastructuur, delen van de chemie. Maar de schakelruimte zelf is zelden de plaats waar het gas ontstaat. Ze ligt ernaast, of erboven, of aan het einde van een kabelgoot.

Het mechanisme: waarom koper op een andere schaal reageert

Koper draagt in normale omstandigheden een dunne oxidelaag (Cu₂O). Waterstofsulfide adsorbeert daarop dissociatief, en het enige corrosieproduct van betekenis dat ontstaat is kopersulfide (Cu₂S). Dat vormt eerst kiemen, die zich zijdelings uitbreiden, samenvloeien tot een gesloten film, waarna de groei diffusiegelimiteerd wordt door de sulfidelaag die er intussen ligt.

Drie eigenschappen van dat proces verklaren waarom een gasdetector het structureel niet ziet.

Het is cumulatief. In het regime waarin de gastoevoer beperkend is, schaalt de laagdikte lineair met de opgebouwde blootstelling — ppm·uren — en niet met de piekwaarde. Een detector is gebouwd om een piek te vangen. Een cumulatief proces heeft geen piek nodig.

Het is sterk vochtafhankelijk. Rond 5 % relatieve vochtigheid is sulfidering nagenoeg verwaarloosbaar; bij 95 % verloopt ze substantieel sneller. De versnelling correleert met het aantal geadsorbeerde watermonolagen op het oppervlak — vanaf ongeveer drie lagen loopt het op. Dezelfde concentratie doet in een koele, vochtige ruimte iets heel anders dan in een warme, droge.

Het migreert. Dit is het punt dat in de praktijk het meeste kost. Vast kopersulfide blijft niet liggen waar het gevormd is. Het verplaatst zich over het oppervlak van een printplaat zonder dat daar een elektrisch veld voor nodig is, en overbrugt uiteindelijk sporen die niet verbonden horen te zijn. In de literatuur heet dat creep corrosion. Het is geen esthetisch probleem en het is geen aanslag — het is een sluiting. Loodvrije printplaten bleken hier gevoeliger voor dan het oudere loodhoudende werk, wat de reden is dat het onderwerp na de RoHS-omschakeling opnieuw op de agenda kwam.

Een gasdetector die is ingesteld op een gezondheidsgrenswaarde ziet van deze drie eigenschappen er precies nul.

Drie instrumenten, drie vragen

Hier zit de kern van het misverstand. Er zijn drie meetmethodes in omloop rond dit probleem, en ze worden voortdurend met elkaar vergeleken alsof ze concurrenten zijn. Ze beantwoorden verschillende vragen.

1. De vaste gasdetector — "is dit gevaarlijk voor de mensen hier?"

In België ligt de grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling aan waterstofsulfide op 5 ppm (7 mg/m³) als achtuursgemiddelde, met een kortetijdswaarde van 10 ppm over vijftien minuten. Dat zijn de waarden uit de Codex over het welzijn op het werk (boek VI, titel 1). Het zijn gezondheidsgetallen, met een referentieperiode, en ze doen precies waarvoor ze gemaakt zijn.

Wat ze niet zijn: een uitspraak over apparatuur. De grenswaarde is geen veilige drempel voor koper, en ze is er ook nooit voor bedoeld geweest.

2. De corrosiecoupon volgens ISA 71.04 — "hoe agressief is deze omgeving?"

De referentiemethode voor het classificeren van een omgeving is ANSI/ISA-71.04-2013, vandaag nog steeds de geldende editie. U hangt een koperen en een zilveren plaatje op, doorgaans dertig dagen. Daarna bepaalt een labo via coulometrische reductie hoeveel metaal is omgezet — uitgedrukt in ångström per dertig dagen — en, en dat is het sterkste deel van de methode, ook wélk corrosieproduct het is. Sulfide gedraagt zich anders dan chloride. U krijgt dus een getal én een oorzaakfamilie.

De ernstklassen voor koper:

KlasseKoper (Å/30 d)Zilver (Å/30 d)Omschrijving
G1< 300< 200Mild
G2< 1 000< 1 000Matig
G3< 2 000< 2 000Zwaar
GX≥ 2 000≥ 2 000Ernstig

Zilver werd in de editie van 2013 als verplichte parameter toegevoegd, juist omdat koper alleen dat onderscheid tussen oorzaakfamilies niet scherp genoeg kan maken.

3. Continue concentratiemeting — "wanneer, waar en waardoor?"

Een continue meting van de gasconcentratie met een tijdas geeft geen metaalverlies en geen classificatie. Ze geeft een verloop: op welke uren, in welke ruimte, tijdens welk soort momenten de concentratie oploopt, en hoe zich dat verhoudt tot temperatuur en vochtigheid in diezelfde ruimte.

Dat is de enige van de drie waar u een ingreep op kunt baseren.

De cijfers in ppb die u misschien zijn voorgelegd

Hier is een precisering nodig die in vrijwel alle commerciële communicatie over dit onderwerp ontbreekt, en die belangrijk is als u een offerte of een advies beoordeelt.

ANSI/ISA-71.04-2013 classificeert op gemeten metaalverlies, niet op gasconcentratie. In de huidige editie is de bespreking van corrosieve gassen uit het normatieve deel van de norm gehaald en naar een bijlage verplaatst. De ppb-waarden die u tegenkomt zijn erfgoed van de editie van 1985.

Dat heeft een zichtbaar gevolg. De concentratietabel circuleert vandaag in minstens twee onderling onverenigbare versies. De variant die de gespecialiseerde luchtfiltratiebedrijven hanteren, legt G1 onder ongeveer 3 ppb H₂S en GX vanaf ongeveer 50 ppb. Een andere gepubliceerde versie, in een technische whitepaper, zet dezelfde klassen op 125, 2 000 en 10 000 ppb. Dat scheelt ruwweg een factor veertig, en beide tabellen worden in goed vertrouwen doorgegeven.

Wij hebben geen van beide kunnen toetsen aan de normtekst zelf — de voorbeeldpagina's van zowel de editie 1985 als 2013 laten de tabellen achter de betaalmuur. Wat wél vaststaat, is waaróm er twee versies bestaan: de concentraties zijn niet meer normatief, en een cijfer dat niemand nog hoeft na te leven, wordt niet meer gecorrigeerd.

Wat u daaruit meeneemt: vraag niet naar een ppb-doelwaarde en ontwerp er niet op. De norm classificeert er niet op. Als een leverancier u een ppb-grens voorlegt als norm-eis, is dat een bijlage uit 1985, geen vereiste.

En om het zo concreet mogelijk te maken: zelfs de laagste van die twee tabellen zet de zwaarste apparatuurklasse rond 50 ppb. De Belgische achtuursgrenswaarde van 5 ppm is 5 000 ppb. De lucht waarin uw elektronica het volgens de apparatuurliteratuur niet uithoudt, zit op ongeveer één procent van de wettelijke grenswaarde. Uw detector zwijgt daar volkomen terecht.

Eén detail maakt dat tastbaar voor iedereen die er werkt. De geurdrempel van waterstofsulfide wordt in de literatuur opgegeven tussen ongeveer 8 en 130 ppb — sommige bronnen leggen hem nog lager. Die spreiding loopt dwars door de zwaarste apparatuurklasse heen. Mensen ruiken dus vaak de lucht die hun schakelkast aanvreet, terwijl elke gasmeting wettelijk schoon blijft.

Wat een coupon van dertig dagen wel en niet oplost

Een coupon is de referentiemethode, en dat blijft ze. Dit is geen kritiek op het instrument. Het is wat een cumulatieve meting is.

Reken het eens door. Een maand van rustige, lage blootstelling met daarin één zware excursie van zes uur kan dezelfde opgebouwde dosis geven als een maand van gelijkmatig verhoogde achtergrond. Dus hetzelfde plaatje, dezelfde klasse, hetzelfde advies. Dat is geen tekortkoming van het labo. Dat is wat optellen doet.

Daar komt de doorlooptijd bij. Het getal komt weken later terug. Tegen dan is de maand voorbij, en met de maand ook alles wat erin gebeurd is: de storing, de stilstand, de werken aan de installatie ernaast, de windrichting die twee dagen anders lag, de deur die tijdens een revisie drie weken open heeft gestaan.

U weet dan dat uw omgeving agressief was. U weet niet wanneer, en niet waardoor. Op een getal zonder moment kunt u niets veranderen.

Dat is precies de plaats waar een continue meting iets toevoegt, en het is ook precies de grens van wat ze kan. Ze meet concentratie, geen metaalverlies. Ze is geen classificatie en ze vervangt de coupon niet. Wat ze doet, is het getal van de coupon een tijdas geven, zodat de vraag verschuift van "is het hier erg" naar "wat gebeurt hier op dinsdagnacht".

En omdat sulfidering vochtafhankelijk is, is de combinatie interessanter dan de gasmeting alleen. De ruimte met de hoogste H₂S-concentratie is niet automatisch de ruimte met de meeste corrosie. Een warme, zeer droge technische ruimte met veel gas en een koele, vochtige ruimte met minder gas kunnen elkaars omgekeerde zijn. Welke van de twee het hoogste risico draagt, is een reële vraag die alleen de combinatie van parameters beantwoordt — en die een meting van één parameter structureel niet kan beantwoorden.

Wat u hier concreet mee doet

Vier stappen, in deze volgorde.

1. Reconstrueer één couponperiode. Is er bij u ooit een coupon teruggekomen met een klasse die niet mild was, probeer dan te achterhalen wat er in die dertig dagen gebeurd is. Onderhoud, storingen, procesveranderingen, werken, weer. Lukt dat niet, dan hebt u meteen het antwoord op de vraag of één getal per maand voor uw situatie volstaat.

2. Ga na op welke schaal er ooit gemeten is. Niet: gaat de detector af. Wel: heeft iemand ooit gemeten op de schaal waarop koper reageert, of ooit een coupon opgehangen? In veel installaties is het antwoord nee. Dat is geen nalatigheid — het instrument dat er hangt, is voor iets anders gemaakt.

3. Meet vocht en temperatuur in dezelfde ruimte. Zonder relatieve vochtigheid is een gasconcentratie in deze context maar de helft van het verhaal. Dit is bovendien de goedkoopste parameter in het rijtje.

4. Bouw uw investeringsdossier op uw eigen cijfers. Uitvalfrequentie, vervangingskosten, stilstandsuren, gefaalde componenten per bord. Een corrosiedossier dat op cijfers van een leverancier steunt, houdt geen stand in een investeringscomité. Een dossier dat op uw eigen faalhistoriek steunt, meestal wel.

Waar dit niet over gaat, en waar u dit niet nodig hebt

Dit gaat niet over uw mensen. Op de concentraties waar koper op reageert, is er geen gezondheidsprobleem. De grenswaarden in dit artikel staan er om het verschil in schaal te tonen, niet om een risico te suggereren. Waar wél een blootstellingsvraag speelt, is dat een aparte kwestie met een eigen instrumentarium: de wettelijke meting en het advies van de externe dienst voor preventie en bescherming. Continue monitoring vult die aan en vervangt ze niet. (Ter volledigheid, omdat het in dezelfde adem hoort: boven ongeveer 100 ppm valt de geurwaarschuwing van H₂S volledig weg. Dat is een veiligheidsfeit, en het staat los van alles wat hierboven over apparatuur is gezegd.)

Meten voorkomt geen corrosie. Een meting produceert bewijs. Mensen en ingrepen — afdichting, drukregime, filtratie, herlokalisatie van een kast, een aangepast onderhoudsinterval — voorkomen corrosie. Wie u een meetoplossing verkoopt als een oplossing voor het corrosieprobleem zelf, slaat een stap over.

En het meest waarschijnlijke antwoord voor de meeste gebouwen: u hebt dit niet nodig. Hebt u geen uitvalgeschiedenis en geen vermoeden van een bron, dan is een coupon per jaar waarschijnlijk alles wat u ooit nodig zult hebben. Niet elk gebouw heeft een probleem, en een continue meetopstelling in een omgeving zonder aanwijzingen levert een mooie grafiek en verder niets.

De vraag is niet of continue monitoring beter is dan een coupon. De vraag is of u iets wilt classificeren of iets wilt oplossen.

InsightAir meet continu de luchtkwaliteit in kritieke omgevingen. Wat er gebeurt tussen twee puntmetingen, is meestal het interessantste deel.

Veelgestelde vragen

Mijn gasdetector gaat nooit af. Kan ik dan toch corrosie hebben? Ja. De detector bewaakt een gezondheidsgrenswaarde in ppm; koper reageert op concentraties in ppb. Die twee schalen liggen ongeveer drie grootteordes uit elkaar. Een stille detector en een aangetast bord spreken elkaar niet tegen.

Welke norm bepaalt of mijn omgeving te agressief is voor elektronica? ANSI/ISA-71.04-2013 is de gangbare referentie. Ze classificeert op gemeten metaalverlies aan koper en zilver in ångström per dertig dagen, bepaald via coulometrische reductie na blootstelling van coupons. Ze classificeert niet op gasconcentratie.

Klopt het dat H₂S onder 3 ppb moet blijven? Dat cijfer komt uit een bijlage die teruggaat op de editie van 1985 en is geen eis van de huidige norm. Er circuleren bovendien meerdere, onderling sterk afwijkende versies van die tabel. Behandel een ppb-doelwaarde als indicatief, niet als een norm-eis.

Vervangt continue gasmeting de corrosiecoupon? Nee. De coupon blijft de referentiemethode voor classificatie en is de enige van de twee die metaalverlies meet en het corrosieproduct identificeert. Een continue meting voegt een tijdas toe: wanneer, waar, en onder welke omstandigheden.

Waarom is luchtvochtigheid hier belangrijk? Omdat de sulfideringssnelheid er sterk van afhangt. Bij zeer lage relatieve vochtigheid verloopt het proces nagenoeg niet; bij hoge vochtigheid substantieel sneller. Dezelfde gasconcentratie geeft daardoor in twee ruimtes een verschillend risico.

Wat is creep corrosion? De migratie van vast kopersulfide over het oppervlak van een printplaat, zonder dat daar een elektrisch veld voor nodig is, waarbij uiteindelijk sporen worden overbrugd die niet verbonden horen te zijn. Het onderscheidt zich van gewone aanslag doordat het tot kortsluiting leidt in plaats van tot verkleuring.